28 okt 2014

De wind is (niet) van iedereen

Humo - 28 oktober 2014 DOSSIER DUURZAAMHEIDVolgens minister Annemie Turtelboom zal het qua black- outs wel meevallen als we komende winter niet a llemaal tegelijk beginnen te s tofzuigen en te s tr ijken. Maar dat neemt niet weg dat ons energ ielandschap aan een fundamentele verandering toe is. Het kán ook anders: in Duitsland zijn de maatschappelijke codewoorden vandaag al 'burgercoöperatie' en 'duurzame energie'. Omdat zon en wind overal beschikbaar zijn, kunnen we allemaal en overal elektric iteit produceren. Bijkomend pluspunt is dat we de opbrengst in de loka le economie kunnen pompen. En dat we weer kunnen stofzuigen en strijken wanneer het ons uitkomt.

'Als je ergens in Vlaanderen een windmolen wilt plaatsen, is de kans groot dat je Electrabel moet vergoeden'

DIRK KNAPEN, RESCOOP

Met z'n tienen stonden ze daar, op een winterochtend, aan de voet van een windmolen. De sneeuw lag een meter hoog en het laatste stuk, van de weg tot aan de deur in de mast, hadden ze ploeterend en vloekend te voet afgelegd. Niet iedereen was op de gelegenheid gekleed. `Herman, je doet me wat aan,' mompelde de Limburgse gouverneur Herman Reynders toen hij tegen de metalen reling aan de trap de sneeuw van zijn leren schoenen klopte. Herman Stulens, de man met het plan, glimlachte. `Mag ik u voorstellen, gouverneur: Bernard Delville.' Een man met een baard, amper anderhalve meter groot, stapte van het betonnen trapje aan de deur en stak zijn hand uit. `Welkom in Houyet. Welkom bij de windmolen van de kinderen.'

De elektriciteit die de windmolen opwekt, dekt de behoefte van 250 gezinnen in de buurt. De opbrengst gaat naar de aandeelhouders en dat zijn honderden kinderen. Zij delen niet alleen in de winst, maar bezitten ook écht een deel van de mast, de wieken en het betonnen trapje van de windmolen. Sommige kinderen waren al aandeelhouder nog voor ze een naam hadden. De kleindochter van Delville, bijvoorbeeld, zat nog in de buik toen hij haar een aandeel verkocht. Delville is van opleiding mijnbouwingenieur, maar het eerste wat hij met zijn diploma deed, was het verscheuren. Hij onderzoekt liever hoe we met hernieuwbare energie ons elektriciteitsverbruik kunnen veranderen, en de energiesector en ­ in het verlengde daarvan ­ de volledige samenleving ten gronde kunnen democratiseren. De wind, meent hij, is van iedereen.

Stulens, de man die de Limburgse gouverneur, samen met een journalist, een advocaat en enkele sympathisanten naar Houyet had geleid, droomde van een gelijkaardige windmolen voor zijn wijk. Energie, ook hernieuwbare energie, verdiept immers de kloof tussen arm en rijk: de grens tussen de sociale woonwijk Gansbeek in Bilzen, waar Stulens woont, en de rest van de buurt wordt gevormd door de zonnepanelen op de daken aan de ene kant en de onzichtbare budgetmeters in de kelders aan de andere kant. `Toen ik hier kwam wonen, was ik geschokt door de armoede,' vertelt Stulens. `Meer dan de helft van de gezinnen in de straat zat met een budgetmeter. Mijn eerste idee was: we zetten een coöperatieve op en laten samen zonnepanelen installeren, maar dat ging niet. De daken van de sociale woningen zijn er niet op voorzien.'

Plan B ontstond aan Stulens' keukentafel. Op donderdagavond verzamelt de buurt zich bij hem thuis ­ om de dagelijkse problemen te delen, maar ook om het over rechtvaardigheid, klimaat, armoede en ongelijkheid in het algemeen te hebben. Zo'n eigen windmolen klonk absurd ambitieus voor een wijk waarvan de helft van de bewoners moet schrapen om rond te komen. Een windmolen kost geld, veel geld: zo'n 2 miljoen euro. Een budget op maat van energiebedrijven als Electrabel, Luminus of Aspiravi; geen spek voor de bek van een bende arme donders uit een sociale woonwijk. Maar hoe dieper ze erover nadachten, hoe realistischer het werd: zo'n windmolen kon weleens hun hefboom uit de armoede worden.

Tijdens de viering van het Feest van de Arbeid in de gemeente polste Stulens een paar politici van wie hij vermoedde dat ze een sociale voelspriet hadden. `1 april was verleden maand, hoor,' was het standaardantwoord. Een senator zag het nog eenvoudiger: `Dat lukt nooit. Jullie zijn daar te dom voor.'

Herman Stulens «Maar hoe meer politici beweerden dat het onmogelijk was, hoe meer ik het wilde proberen. De buurt stond achter me. Ik zei hen: `Mensen, de kans is groot dat het mislukt. Maar niets doen is niet langer een optie.'»

Aan de voet van de windmolen in het Ardeense Houyet raakte Reynders overtuigd. Hij sprak zijn volledige steun uit voor de bouw van een windmolen ­ gedragen, beheerd en gedeeld door de inwoners van een sociale woonwijk. De windmolen van Bilzen zou letterlijk een motor voor maatschappelijke verandering worden. De journalist twitterde, 's avonds stond het bericht op VRT-Teletekst en de volgende dag hingen Russische, Nederlandse, Duitse en Franse kranten en tv-stations bij Stulens aan de lijn.

Stulens «Ze wilden mijn windmolen komen bezoeken. `Wacht even, wacht even,' zei ik. `We hebben nog geen geld, nog geen bouwaanvraag en nog geen idee hoe we dit moeten realiseren.' Ik beloofde hen terug te bellen als de windmolen er stond.»

Stulens heeft nog niet teruggebeld. Nu, vier jaar later is er geld, een concrete locatie, een burgercoöperatie ­ Bronsgroen ­ maar nog geen bouwvergunning. Een paar gezinnen in de wijk, op een boogscheut van het lapje grond langs de E313 waar de windmolen moet komen, hebben een bezwaarschrift ingediend. Windmolens zijn zelden geliefde buren. `Wij hebben geen zin om op een windmolen uit te kijken waar we zelf geen voordeel bij hebben,' klinkt het bij de achtkoppige actiegroep. Dat ze aandeelhouder kunnen worden en zo in de opbrengst delen, vinden ze onvoldoende als voordeel. Ze dromen stilletjes van grover geld. Want, zo luidt het, normaal gezien wordt er stevig betaald bij het reserveren van een locatie. Ze hebben bedragen horen waaien tussen 25.000 en 35.000 euro, maar met 10.000 euro zijn ze ook al tevreden. `

Ik laat me niet omkopen,' zucht Stulens, die er het hart van in is dat hij er tot nu niet in geslaagd is om een breed draagvlak voor de wijkwindmolen te creëren. Stulens «We hebben die mensen uitgenodigd om iets te gaan eten. We hebben alles betaald, tot de koffie toe. We hebben hun aandelen aangeboden. Maar nee, ze wilden letterlijk boter bij de vis. `Zo gaat dat nu eenmaal,' zeiden ze. Precies omdat bedrijven als Electrabel overal gronden hebben gereserveerd, hebben ze ervoor gezorgd dat niemand nog een windmolen in zijn achtertuin wil.»

TEGEN DE STROOM OP

Opstalrechten: die krijg je als je een een stuk grond reserveert om er mogelijk een windmolen op te zetten. Begin 2000 was Electrabel er al druk mee bezig. Niet zozeer om effectief massaal in windenergie te investeren ­ daarvoor bracht het nucleaire arsenaal nog voldoende op ­ als wel om ervoor te zorgen dat zij de eersten zouden zijn om de winsten af te romen als windenergie de nieuwe vetpot zou worden. En dus kregen boeren overal ter lande een man aan de deur met een dikke ringmap onder de arm: `Of ze eens over een interessant voorstel konden praten.'

Dirk Knapen van Rescoop, het overkoepelende, Europese platform van burgercoöperaties in de energiesector, vertelt hoe Electrabel in 2000 het bedrijf Westenwind overnam voor een paar miljoen euro. Dirk Knapen «Dat bedrijf bestond uit niets anders dan ladenkasten vol concessies op gronden. Honderden hadden ze er genomen, over heel Vlaanderen. Het waren die concessies die Electrabel wilde en die het nu nog altijd heeft. Het was het Wilde Westen: wie het eerst zijn paaltje in de grond plantte, mocht een turbine zetten, en de buren, tja, die hadden pech. Als je ergens in Vlaanderen een windmolen wilt plaatsen, is de kans dus groot dat je Electrabel moet vergoeden.»

Ondertussen bestaan er zo'n dertig burgercoöperaties voor energie in België, waarvan er twee effectief stroom produceren: BeauVent in Beauvoorde en Ecopower. Gemeenschappelijk doel van deze coöperaties: de overgang van fossiele naar hernieuwbare energie realiseren tegen een zo laag mogelijke kost voor de burgers en de gebruikers. Om dat te doen, worden burgers zélf energieproducent. `Wie de energie beheert, heeft de macht in handen. Dat wist Lenin al,' grijnst Dirk Vansintjan, de medeoprichter van Ecopower. Bij het ontstaan in 1991 gold het als de eerste energiecoöperatie in Vlaanderen.

Dirk Vansintjan «Het ging een beetje stoemelings. We wilden niet alleen betogen tegen kernenergie, maar ook tonen dat er wel degelijk een alternatief was. Daarom kochten we een oude watermolen. De elektriciteit die we opwekten, konden we enkel aan Electrabel verkopen ­ van een liberalisering van de markt was nog lang geen sprake. `We hebben uw elektriciteit niet nodig,' zeiden ze daar. `Je moet betalen om dat op het net te zetten.' We dachten: `Dan verkopen we onze stroom wel zelf.' Maar een kabel van de watermolen naar onze buur de witloofboer trekken: dat mocht niet. De volgende stap was dus: ervoor zorgen dat zoiets wél mogelijk werd.»

Met meer dan 50.000 coöperanten over heel Vlaanderen is Ecopower ondertussen één van de grootste energiecoöperaties van Europa en wordt het op studiedagen, congressen en conferenties over de sociale potentie van hernieuwbare energie vaak aangehaald als lichtend voorbeeld. Want Ecopower is niet alleen producent van groene stroom, het is ook leverancier.

Vansintjan «Onze aandeelhouders hebben ons daartoe aangezet. `Nu heb je groene stroom en nu verkoop je aan Electrabel,' zeiden ze. Ik zie ons nog zitten ­ in een klein zaaltje in de wereldwinkel in Gent. We aarzelden. Maar onze aandeelhouders waren overtuigd. `'t is hét moment om te bewijzen dat hernieuwbare energie beter is dan kernenergie.'

»Ondertussen slagen we daar behoorlijk goed in: de stroom die we leveren is 100 procent Belgisch en 100 procent groen. En omdat we niet op winst uit zijn, kunnen we aan kostprijs verkopen en zijn we voor veel mensen de goedkoopste. Een aandeel in de cooperatie kost wel 250 euro, maar mensen mogen dat bedrag rustig bijeensparen.»

De keukentafel waaraan we zitten, is de tafel waar het allemaal begon. Ze wiebelt een beetje. Vansintjan plooit het deksel van een kartonnen doos dubbel en schuift dat onder een poot om het evenwicht te herstellen. Het valt me op dat de nieuwe heren van de energie baarden hebben, wollen truien dragen en af en toe ook een badge met `Change the system, not the climate' erop. Dit zijn geen mannen van de macht. Het zijn de luizen in de pels van het systeem.

Vansintjan «Hernieuwbare energie is per definitie gedecentraliseerde energie. Wind en zon zijn overal beschikbaar. Steden of gemeenten die het slim spelen, investeren zélf in een windmolen of in zonnepanelen op de daken van scholen en openbare gebouwen, of gaan voor een warmtenet. Door zelf te produceren en van inwoners aandeelhouders te maken, zorg je ervoor dat alle mogelijke winst de gemeente ten goede komt, en niet wegvloeit naar bankrekeningen op de Kaaimaneilanden. Waar om heeft Duitsland zo snel en grondig het roer omgegooid? Omdat de burgers, steden en gemeenten dat gedaan hebben. Dat kan in België ook. Maar daarvoor heb je mensen op verschillende niveaus nodig die werkelijk willen breken met de oude monopolies.»

BEZIGE BIJEN

Eeklo was één van de eerste steden die dat door leek te hebben. In de aanbesteding voor het windpark dat de stad op haar grondgebied wilde, topte ze netjes de prijs voor de gronden af. Er kon niet meer geboden worden dan 25.000 euro. Wie het contract wilde, moest het verschil maken met de meerwaarde die hij voor de stad en haar bewoners zou realiseren. Was men bereid om de winst te investeren in projecten in de stad zelf? Alle grote spelers dongen mee naar de windmolens van Eeklo, maar Ecopower haalde het. Hun voorstel draaide niet enkel om een windmolen, maar om een totaal energieplan. Wat de windmolen opbrengt, stroomt terug naar gemeentelijke projecten, zoals een luifel met zonnepanelen op de daken van het OCMW en de kringloopwinkel. Ecopower stelt ook een deeltijdse ingenieur ter beschikking om het energieloket van de stad te bemannen. Alle inwoners hebben er baat bij; niet alleen de eigen coöperanten.

Vansintjan «We vertellen dat trouwens niet alleen in België of Europa. Als we ons model gaan uitleggen in Marokko of Tunesië, zeggen we daar ook: `Mannen, je moet zélf zonnepanelen in de woestijn zetten in plaats van dat aan Duitse bedrijven over te laten.' Onze gastheren kijken dan weleens verbaasd ­ van een Europeaan verwachten ze dat verhaal niet ­ maar je ziet ze ook denken: `Waarom niet?'»

In Gent kwam het idee met de bijen. In de schaduw van de oudste abdij van Gent hadden de bewoners van de Machariuswijk enkele bijenkasten gezet, en telkens als ze omhoog keken om de vlucht van hun bijen te volgen, viel hun het uitgestrekte dak van de refter van de abdij op. Perfect georienteerd. `Wat als we daar nu eens zonnepanelen op installeren en zo elektriciteit voor de buurt produceren?' vroegen ze zich af. Aangezien de abdij een beschermd monument is, achtten ze de kans klein dat ze het stadsbestuur voor hun idee zouden kunnen winnen. Maar toen viel hun oog op puntje 2.29 in het bestuursakkoord: `We moedigen Gentenaren aan om energiecoöperaties op te richten en windturbines te bouwen zoals in Eeklo.'

`Wij willen Gent op termijn energieonafhankelijk maken,' stelt Tine Heyse, de groene schepen van Milieu, Klimaat, Energie en Noord-Zuid. Tine Heyse «Groene stroom kopen met het oog op de klimaatdoelstellingen is simpel, maar wij willen ook meer zeggenschap over onze energie. Investeren in de lokale productie van hernieuwbare energie is gewoon interessanter.»

`Waarom niet,' dachten de bewoners van de Machariuswijk, en op 27 december 2012 kwamen ze een eerste keer samen om te onderzoeken of het mogelijk was zelf energie te produceren en een coöperatie op te richten. `Het was het perfecte moment,' stelt John Vandaele, journalist bij MO*, bewoner van de wijk en ondertussen communicatieverantwoordelijke bij het energiebedrijf EnerGent. John Vandaele «Door de financiële crisis bracht spaargeld nauwelijks nog iets op. Er was een bereidheid om in andere, zinvollere dingen te investeren. Op die eerste vergadering zagen we vooral drempels en moeilijkheden. Hoeveel toekomst zat er in zon? En was het met al die opstalrechten wel betaalbaar om met wind te beginnen? Waren de gronden niet te duur geworden? Energiebesparing leek het enige waar we ons als lokale coöperatie op konden toeleggen. Maar hoe haal je voldoende rendement uit besparen alleen?»

Toen kwam er in de buurt van Zwijnaarde een stuk grond vrij dat tot dan verboden terrein was geweest voor windmolens. Voordeel: er waren nog geen opstalrechten genomen. De provincie toonde zich bovendien bereid om 20 procent van het project open te stellen voor burgercoöperaties en lokale besturen. Wind leek ineens haalbaar. Plots werd er in de buurt niet langer over het weer of over de vakantieplannen gepraat, maar werd er aan de statuten van een buurtcooperatie geschaafd. Het doel was voor iedereen duidelijk: burgers verenigen en de financiële middelen verwerven om in hernieuwbare energieproductie en in energiebesparing te investeren, en de gerealiseerde winsten aan lokale, sociaalecologische projecten besteden.

Vandaele «Dat laatste was essentieel. Toen we ons huis kochten, nu tien jaar geleden, wilde niemand hier wonen. Het slachthuis was net afgebroken. Het was het stadsdeel waar de nieuwkomers arriveerden. Ook al is het ondertussen een aantrekkelijke en opgewaardeerde buurt geworden, het is een gemengde wijk gebleven. Met arme en rijke mensen, met NVA'ers en groenen. Die diversiteit willen we weerspiegeld zien in EnerGent. We hebben er lang over nagedacht, maar we hebben de prijs van een aandeel bewust beperkt tot 100 euro. We willen dat iedereen er één kan kopen. Hernieuwbare energie is tot nu vaak een bron van ergernis geweest. Men ziet het als een bron van bijkomende kosten, terwijl je zelden iets hoort over de subsidies die al jaren naar nucleaire energie vloeien. Wij willen aantonen dat zon en wind, als je ze juist gebruikt, bronnen van herverdeling zijn.»

WIND EN MEST

Blijft de vraag: is België wel een land voor windmolens? Hoeveel hernieuwbare energie kunnen we hier produceren? Op dit moment spreken we van een piek als 17 procent van onze elektriciteit uit hernieuwbare bronnen komt. Gemiddeld is dat nauwelijks 7,5 procent en voor warmte is het zelfs amper 1,2 procent ­ cijfers die ver onder het streefdoel liggen dat Europa vooropstelt: 15 procent tegen 2020. `Máár,' beweert Dirk Knapen, `de berekeningen zijn klaar.' Hij heeft ze altijd bij zich, omdat hij altijd de vraag krijgt: is 100 procent hernieuwbare energie wel mogelijk? En zou dat geen ticket terug naar het oertijdperk zijn?

Knapen (vist een map uit zijn rugzak en glijdt met zijn vinger langs een rij cijfers) «Als we Doel volledig willen vervangen, hebben we 888 vierkante kilometer zonnepanelen nodig, of 1.666 vierkante kilometer vrije ruimte voor windmolens. Stel dat je ook warmte wil opwekken met zonnepanelen en windmolens, dan heb je 2.500 vierkante kilometer zonnepanelen nodig. In Vlaanderen hebben we 21.160 vierkante kilometer bebouwde oppervlakte. In theorie zou het dus volstaan om één tiende van de goed georiënteerde daken te bedekken. Zo eenvoudig is het natuurlijk niet ­ hernieuwbare energie fluctueert: ze is er niet altijd als je ze nodig hebt ­ maar het potentieel is er zonder twijfel.»

Twee dagen later krijg ik een mail van Knapen. `Wil je 100 procent duurzame energie en 100 procent burgerparticipatie zien? Ik nodig je uit om mee te gaan naar Thy.' Ik heb geen flauw idee waar Thy ligt ­ 1.000 kilometer van Leuven meldt Google Maps. Ik twijfel. Tot ik op een artikel over de geschiedenis van windenergie in Europa stoot. `Dat Denemarken geen kerncentrales heeft, komt door het vroege verzet van mensen uit Thy. Zij bouwden een windmolen nog vóór er van windenergie sprake was. Ondertussen leveren de windmolens er 100 procent groene stroom, de meeste ervan zijn in handen van de inwoners zelf.'

Thy is de noordwestelijke uitloper van Denemarken ­ het hangt als een verdwaald aanhalingsteken aan het land vast ­ en is één van de meest winderige gebieden van Europa. Er is nauwelijks een dag waarop het níét waait, en de geur van de wind verraadt waar 50 procent van de bevolking zijn brood mee verdient: varkens. Dat zijn meteen ook de twee grondstoffen waarmee Thy de overschakeling van 100 procent aardolie in de jaren 70, naar 100 procent groene stroom en 85 procent groene warmte anno 2014 realiseerde. Veertig jaar deden ze erover om hun elektriciteit uit windenergie te halen en het grootste deel van hun warmte uit biomassa, maar ook uit stro en andere resten van de landbouw. Het was een proces gedragen door boeren, smeden, ingenieurs, onderwijzers, dokters, postbodes en vissers. Gewone mensen die in de barre winter van 1974, toen de olieprijzen door het dak schoten en de bevoorrading in gevaar was, besloten dat ze welvaart wilden zónder kernenergie, los van aardolie en met middelen waarover ze zelf beschikten. `We hadden mest en we hadden wind. Als we geen kernenergie wilden, was het logisch dat we daar iets mee zouden doen,' vertelt Jane Kruse. Samen met Preben Maegaard ­ onderwijzer van beroep, maar ingenieur in het diepst van zijn gedachten ­ richtte ze het Nordisk Folkecenter For Renewable Energy op in een tijd dat een zonnepaneel niets meer was dan een zwart geschilderde radiator op een dak.

Jane Kruse «De boeren kwamen naar ons. Ze zeiden zelf: we willen iets met biomassa doen, dat hebben we gratis ter beschikking. Hoe bouw je zo'n centrale? Samen zochten we het uit en ontwikkelden we ons eigen model. Die kennis stelden we gratis ter beschikking van elke boer die een biogasinstallatie op zijn erf wilde bouwen. Hetzelfde met de windmolens. De eerste bouwden we met de hulp van een militair ingenieur. Mensen kochten er samen één aan en zetten die in hun dorp ­ op een plaats die ze zelf kozen en waarvan ze wisten dat de wind er goed was. Dat was de basis van de hernieuwbare energie in Denemarken: open ontwerpen en lokale initiatieven.»

Zodra er geld mee verdiend werd, raakte dat oorspronkelijke model uitgehold. Ook omdat de overheid een betere planning nastreefde.

Kruse «Het nadeel van planning is dat je speculanten wakker schudt. Naast de kleinere windmolens van de plaatselijke bevolking, rezen er plots grote molens van rijke jongens op. De meeste van de eigenaars woonden hier niet, maar hielden een postbus aan op naam van een coöperatie. Zo omzeilden ze de regels over lokale participatie.»

Preben Maegaard «Iedere nieuwe windmolen botst nu op protest, tenzij het werkelijk om een lokaal initiatief en om gedeelde eigendom gaat. In dat geval is zo'n molen de opstap naar economische ontwikkeling en jobs ­ en wie krijgt aan zijn buren uitgelegd dat hij tegen een project gekant is dat geld in eigen streek pompt? Het is hier prachtig. Glooiende landschappen, strand, zee. Mensen willen hier op vakantie komen, maar ze willen hier niet wonen. Ze willen in Kopenhagen wonen. De `rotte banaan van Denemarken', zo noemen we het hier. Hernieuwbare energie kan volgens ons de motor van lokale ontwikkeling en welvaart zijn. In de rotte banaan van Denemarken, maar ook in álle rotte bananen ter wereld. Als ik zie met welke snelheid men in Afrikaanse dorpen zonnepanelen aan het leggen is, dan weet ik: hernieuwbare energie zal de machtsverhoudingen in de wereld volledig door elkaar schudden.»

Om nog even in Denemarken te blijven, geeft hij het voorbeeld van Hvide Sande. Een kustplaats die overleeft bij gratie van het toerisme. In de winter is het er doods en guur; in de zomer verdubbelt het bevolkingsaantal. Het is een plek die zelden gemist wordt door de mensen die er vertrekken.

Met vijf windmolens in de hiel van de havengeul heeft Hvide Sande zich op de kaart gezet als modelgemeente voor hernieuwbare energie. De vijfduizend inwoners schaarden zich achter de windmolens, precies omdat ze de kans kregen om er mee eigenaar van te worden en omdat ze inspraak hebben over hoe de opbrengst besteed wordt. 20 procent van de bevolking heeft aandelen gekocht, de resterende 80 procent zit in een investeringsfonds voor de haven en de stad. Wie uit Hvide Sande verhuist, moet zijn aandeel verkopen. Plaatselijk is letterlijk plaatselijk.

MAAGDELIJK GROEN

Over een gebrek aan wind hoeven ze zich in Thy geen zorgen te maken. Een teveel aan wind vormt een groter risico. Waar moet je met al je stroom naartoe als het 's nachts waait, maar iedereen slaapt en niemand verbruikt? Hernieuwbare energie is per definitie lokaal, maar is ook per definitie variabel. Hoe nauwkeurig je voorspellingen ook mogen zijn: de productie sluit nooit perfect aan op de consumptie.

Knapen «Dat is nu ook niet het geval ­ de verlichting op onze snelwegen is de overproductie van onze nucleaire centrales ­ maar gasgestookte centrales, centrales op steenkool en kerncentrales hebben een gelijkmatige productie: je kunt het verbruik dus enigszins sturen.»

De doorbraak van hernieuwbare energie staat of valt volgens Knapen dus met de ontwikkeling van opslagcapaciteit en met de omzetting van zonne- en windenergie naar warmte. Maar ook dát kan plaatselijk gestuurd en beheerd worden. Een groot deel van de 700 warmtenetten in Denemarken is in handen van de plaatselijke bevolking en de gebruikers. Als een hele straat één ketel deelt, hebben de mensen warmte aan kostprijs. En hoe efficiënter ze stoken, hoe lager hun prijs.

Knapen «In Denemarken hebben ze al in de jaren 90 besloten dat warmte van elektriciteitscentrales zo veel mogelijk gerecupereerd moet worden. Dat is een wezenlijk verschil met België: in plaats van de hitte van de kerncentrale te gebruiken om een stad als Antwerpen te verwarmen, pompen we gigantische hoeveelheden water in bassins om alles af te koelen en de warmte tot wolken te verdampen. Dat is verspilling in het kwadraat: kerncentrales zijn de grootste consumenten van drinkbaar water.»

Er is nog één ding dat Knapen me wil laten zien. Op de terugweg, net nadat we de brug hebben overgestoken die Thy met het vasteland verbindt, wijst hij links naar een frisgroen grasveld.

Knapen «Dit stond vol windmolens. Ze zijn allemaal ontmanteld. Hernieuwbare energie is volop in ontwikkeling. België is geen ideaal land voor te veel windmolens op het land, maar het is best mogelijk dat we ze nu wél nodig hebben en over twintig jaar niet meer. Het goede nieuws is: als je ze afbreekt, blijft je landschap nagenoeg onbeschadigd achter. Dat kun je niet zeggen van een boortoren voor schaliegas.»

Als je succes kunt afmeten aan de mate waarin je gekopieerd wordt, dan lijken burgercoöperaties alvast een succesrecept. Electrabel richtte een jaar geleden CoGreen op om `samen te investeren in windparken in je buurt'. Zo'n 495 mensen kochten aandelen van wat Electrabel als `een echt burgerinitiatief' voorstelt. `Het verschil is dat de aandeelhouders hier geen inspraak hebben; ze geven alleen geld,' stelt Knapen. Het voordeel is dan weer dat Electrabel nog steeds mappen vol opstalrechten bezit. `Het is aan de overheid om nu een keuze te maken. Limburg en Oost-Vlaanderen willen 20 procent voor burgerinitiatieven reserveren; in Wallonië denkt men aan 50 procent. 80 procent zou ideaal zijn, maar dan moeten we ook omschrijven wat `burgerinitiatief' en `lokaal' precies betekenen.'

In Gent en Bilzen wordt ondertussen gewacht. Op een gunstige wind. Op een doorbraak. `Wind gaat inderdaad traag,' laat Vandaele me weten. Stulens heeft alweer een ander plan bedacht. Hij richtte net een steuncomité voor Oekraine op. `De windmolen staat er nog niet, maar dit heeft hij al bereikt: de mensen voelen zich niet langer tweederangsburgers. Ze geloven dat ook zij een verschil kunnen maken. `Herman,' zeiden ze onlangs tegen mij: `Die situatie in Oekraïne, kunnen we daar niets aan doen?' Vroeger zouden ze de schouders hebben opgehaald. Nu zijn ze betrokken. Ver van mijn bed bestaat hier niet meer.'

De bijenkasten van de Machariuswijk. Telkens als de bewoners de vlucht van hun bijen volgden, viel hun het uitgestrekte dak van de abdij op. Perfect georiënteerd voor zonnepanelen.

Dat Denemarken geen kerncentrales heeft, komt door het vroege verzet van mensen uit Thy. Zij bouwden een windmolen nog vóór er van windenergie sprake was.

© 2015 De Vijver Media - Humo - Tine Hens

Reacties

Vennligst sjekk din e-post og klikk på lenken for å bekrefte din nye e-postadresse.